Geen verrekening neveninkomsten bij loondoorbetaling

Een werknemer heeft gedurende een tijdvak van 104 weken recht op doorbetaling van loon bij arbeidsongeschiktheid. De loondoorbetaling bedraagt wettelijk 70% van het vastgestelde loon en gedurende de eerste 52 weken ten minste het voor de werknemer geldende wettelijk minimumloon. Werkgever en werknemer kunnen hogere bedragen aan doorbetaling overeenkomen. In de praktijk komt vaak voor dat een arbeidsongeschikte werknemer de eerste 52 weken recht heeft op 100% doorbetaling van het loon.

In een procedure voor Hof Den Bosch stelde een werkgever zich op het standpunt dat hij de loondoorbetaling aan een arbeidsongeschikte werknemer mocht opschorten. Volgens de werkgever mocht hij bedragen die de werknemer tijdens ziekte ontving in mindering brengen op het uit te betalen loon. De werkgever had de werknemer gevraagd om informatie over andere inkomsten. Omdat de werknemer geen informatie verstrekte meende de werkgever dat hij zijn loondoorbetalingsverplichting mocht opschorten. De werknemer bestreed dat hij neveninkomsten had gehad tijdens zijn ziekteperiode.
De wet geeft aan de werkgever de bevoegdheid om de loondoorbetaling op te schorten, maar die bevoegdheid geldt voor de situatie waarin de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften over het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever nodig heeft om het recht op loon vast te stellen. De werkgever mag van die bevoegdheid alleen gebruik maken als hij voldoende concrete aanwijzingen heeft dat de werknemer tijdens ziekte inkomsten elders heeft ontvangen.

Het hof oordeelde dat de werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemer tijdens zijn ziekteperiode inkomsten heeft genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij voor de werkgever had kunnen werken als hij niet ziek zou zijn geweest. Het was de werknemer niet verboden om nevenwerkzaamheden te verrichten. Als hij daarmee inkomsten zou hebben gegenereerd mochten die niet op het loon in mindering worden gebracht. Het hof wees de vordering van de werknemer tot doorbetaling van loon toe.

Overgangsregeling bijtelling privégebruik auto

Sinds 1 januari 2017 bedraagt de bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak ten minste 22% van de cataloguswaarde van de auto indien de auto jonger is dan 15 jaar. In de jaren voor 2017 gold een bijtelling van 25%. Bij wijze van overgangsregeling geldt voor een auto met een datum van eerste toelating van uiterlijk 31 december 2016 in de jaren 2017 en volgende een bijtelling van 25%.

Volgens de rechtbank is de overgangsregeling niet in strijd met het discriminatieverbod, zoals dat is opgenomen in internationale verdragen. De rechtbank benadrukt dat deze verdragen niet iedere vorm van ongelijke behandeling verbieden, maar alleen die waarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt. Vooral op fiscaal gebied heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid om gelijke gevallen ongelijk te behandelen. Het oordeel van de wetgever dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat moet worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is. Dat is alleen anders wanneer het gaat om onderscheid op basis van persoonlijke kenmerken.

De verlaging van het bijtellingspercentage is volgens de rechtbank niet alleen gegrond op milieudoelstellingen. Dit betekent dat ook het door de overgangsregeling veroorzaakte onderscheid niet terug te voeren is op milieudoelstellingen. De wetgever heeft ook andere factoren betrokken in de bepaling van het bijtellingspercentage, zoals door werkgevers gestelde beperkingen aan het privégebruik en de door werkgevers beïnvloede keuze van auto’s.

Handhaving Wet DBA opgeschort tot 1 januari 2020

Zoals bekend staat de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) op de nominatie om vervangen te worden. De Wet DBA was bedoeld om duidelijkheid te scheppen over de vraag wanneer een arbeidsverhouding een dienstbetrekking is. In plaats van duidelijkheid te scheppen leverde de wet veel verwarring en onrust op onder zzp’ers en opdrachtgevers. Vanwege alle commotie rondom deze wet was de handhaving van de wet opgeschort.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft nu meegedeeld dat de opschorting van de handhaving is verlengd tot 1 januari 2020. Dat betekent dat opdrachtgevers en opdrachtnemers tot die tijd geen boetes of naheffingen krijgen mocht geconstateerd worden dat sprake is van een dienstbetrekking.

Wel worden de mogelijkheden voor handhaving bij kwaadwillenden vanaf 1 juli 2018 verruimd. Deze is dan niet langer beperkt tot de ernstigste gevallen. Voor handhaving is vereist dat de Belastingdienst kan bewijzen dat aan de volgende drie criteria is voldaan:
1. Er is sprake van een (fictieve) dienstbetrekking.
2. Er is sprake van evidente schijnzelfstandigheid.
3. Er is sprake van opzettelijke schijnzelfstandigheid.

De verwachting is dat per 1 januari 2020 nieuwe wet- en regelgeving in werking zal treden.