Gebruik woning tijdens verblijf in buitenland

De eigen woning van een belastingplichtige valt in box 1 van de inkomstenbelasting. Er moet een aan de waarde van de woning gerelateerd bedrag bij het inkomen worden geteld, terwijl de rente en de kosten van de financiering van de woning aftrekbaar zijn. Een woning blijft gelden als eigen woning voor de inkomstenbelasting gedurende tijdelijk verblijf elders, bijvoorbeeld in het buitenland. Gedurende deze periode mag de woning niet aan derden ter beschikking worden gesteld en mogen de belastingplichtige en zijn partner geen andere eigen woning hebben. Wordt niet aan de voorwaarden voldaan, dan valt de woning niet langer onder de eigenwoningregeling en gaat deze van box 1 naar box 3. De betaalde hypotheekrente is dan niet aftrekbaar. Gebruik van de woning tijdens het verblijf elders door mensen die deel uitmaken van het huishouden van de belastingplichtige is toegestaan.

Naar het oordeel van Hof Den Bosch kwalificeert het gebruik van een woning door een neef van de belastingplichtige als het ter beschikking stellen van de woning aan een derde. Volgens het hof behoorde de neef niet tot het huishouden van de belastingplichtige en moest de neef dus worden aangemerkt als een derde. De neef logeerde in de woning van de belastingplichtige wanneer hij voor zijn studie in de buurt moest zijn. Het hof vond van belang dat de neef toestemming had voor het gebruik van de woning en dat sprake was van meer dan incidenteel logeren. Dat de neef slechts gebruik maakte van één slaapkamer en van de algemene voorzieningen in de woning wil niet zeggen dat de woning niet aan derden ter beschikking werd gesteld.
Het hof was van oordeel dat de inspecteur de woning terecht niet als eigen woning heeft aangemerkt.

Geen animo voor stapsgewijs omzetten van hypotheken

De Tweede Kamer heeft vorig jaar een motie aangenomen waarin de regering wordt gevraagd om in samenspraak met kredietverstrekkers mogelijk te maken dat hypotheken stapsgewijs worden omgezet in een vorm met lagere maandlasten. Dat zou moeten gebeuren door gebruik te maken van de mogelijkheid om ieder jaar een deel boetevrij af te lossen en dat deel over te sluiten. Op die manier zou oversluiten zonder vergoeding aan de kredietverstrekker mogelijk zijn. Wet- en regelgeving kennen geen belemmering voor stapsgewijs oversluiten.

Tijdens overleg met het Platform Hypotheken werd geconcludeerd dat de voordelen van stapsgewijs oversluiten niet opwegen tegen de nadelen. Dat geldt zowel voor stapsgewijs oversluiten bij de eigen kredietverstrekker als voor stapsgewijs oversluiten naar een andere kredietverstrekker. De vrees bestaat dat het stapsgewijs oversluiten een negatief effect zal hebben op het aanbod van lange rentevastperiodes en flexibele hypotheekvoorwaarden. Door stapsgewijs over te sluiten wordt de rentevastperiode eenzijdig en kosteloos opengebroken. Er bestaan andere laagdrempelige mogelijkheden om te profiteren van de huidige lage rente, zoals regulier oversluiten of rentemiddeling. Daarnaast ontstaat een complexe situatie wanneer er meerdere leningdelen zijn met hetzelfde onderpand bij meerdere kredietverstrekkers.

De minister van Financiën heeft aan de Tweede Kamer laten weten dat hij, gelet op de uitkomsten van het overleg, het niet opportuun vindt om aanbieders op te roepen om stapsgewijs oversluiten breed aan te bieden.

Kamerbrief positie bedrijfsarts

De verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden ligt bij werkgevers en werknemers. De werkgever moet zich in een aantal situaties laten ondersteunen door een arbodienst of een bedrijfsarts, bijvoorbeeld bij de advisering over ziekteverzuimbegeleiding en bij re-integratie. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer een uiteenzetting gegeven over de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts.

Vanaf 1 juli 2018 moet iedere werkgever een basiscontract hebben met een arbodienst of een bedrijfsarts. Daarin wordt vastgelegd welke taken de bedrijfsarts vervult en hoe deze worden uitgevoerd. De staatssecretaris onderkent dat de bedrijfsarts in situaties terecht kan komen waarin werkgever en werknemer tegenover elkaar staan. Ook in die situaties moet de bedrijfsarts zijn onafhankelijkheid bewaren. Een zieke werknemer mag niet onder druk gezet worden om te beginnen met werken of in de WW terechtkomen zonder voldoende hersteld te zijn. In eerste instantie is de werkgever verantwoordelijk voor de begeleiding van een zieke werknemer. De bedrijfsarts is de adviseur van de werkgever en de werknemer. De staatssecretaris ziet het nieuwe basiscontract als een belangrijk instrument om de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts te versterken. Een arbodienst of bedrijfsarts hoeft niet altijd in te stemmen met datgene wat een werkgever vraagt.

Als een werknemer tegen zijn zin hersteld wordt verklaard door de bedrijfsarts, kan hij aan het UWV een deskundigenoordeel vragen. Tegen het deskundigenoordeel van het UWV kan beroep bij de rechter worden ingesteld.