Verkoopkosten deelneming

De deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting moet voorkomen dat winsten van een dochtermaatschappij ook bij de moedermaatschappij worden belast. De wet bepaalt dat voordelen uit hoofde van een deelneming en de kosten van aan- en verkoop van die deelneming niet tot de winst behoren. Een kostenpost valt alleen onder de deelnemingsvrijstelling als er een verband bestaat tussen de kostenpost en de aan- of verkoop van een deelneming. Omdat er in de tekst van de wet of in de wetshistorie geen aanwijzingen zijn te vinden waaruit blijkt welk verband vereist is, gaat de Hoge Raad uit van een rechtstreeks oorzakelijk verband. Kosten hangen samen met de aan- of verkoop van een deelneming als deze kosten zonder de aan- of verkoop niet zouden zijn gemaakt. Volgens de Hoge Raad kan een dergelijk verband alleen bestaan als de aan- of verkoop van de deelneming is doorgegaan.

Wanneer de verkoop van een deelneming aan een beoogde koper afketst, maar die deelneming vervolgens aan een andere partij wordt vervreemd, moet worden beoordeeld in hoeverre de verkoopkosten van de eerste fase ook zouden zijn gemaakt indien die fase niet had plaatsgevonden. Voor zover dat het geval is vallen de kosten onder het aftrekverbod van de deelnemingsvrijstelling. Goed koopmansgebruik verplicht de moedermaatschappij om de kosten van een voorgenomen aan- of verkoop van een deelneming als een transitorische actiefpost op de balans op te nemen totdat vaststaat of de aan- of verkoop doorgang vindt. Op dat moment wordt de actiefpost afgeboekt en moet worden bepaald in hoeverre de afboeking onder de deelnemingsvrijstelling valt.

Voortgang vervanging Wet DBA

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de wetgeving ter vervanging van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA). In het regeerakkoord zijn maatregelen aangekondigd om schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegen te gaan en om zekerheid te geven aan zelfstandigen en hun opdrachtgevers dat geen sprake is van een dienstbetrekking. De maatregelen omvatten de volgende zaken:

1. Opdrachtgeversverklaring
Via een te ontwikkelen webmodule kunnen opdrachtgevers een opdrachtgeversverklaring verkrijgen als er geen sprake is van een dienstbetrekking. De webmodule is naar verwachting eind 2019 gereed. De minister zal de Kamer voor de zomer van 2019 nader informeren over de voortgang.

2. Verduidelijking gezag
Verduidelijkt wordt wanneer er een gezagsverhouding is tussen opdrachtgever en -nemer. Daarmee kunnen zij zelf beoordelen of sprake is van een dienstbetrekking. Het gezagscriterium wordt verduidelijkt per 1 januari 2019. Dat gebeurt door het opnemen van een uitgebreide toelichting als bijlage bij het Handboek Loonheffingen.

3. Arbeidsovereenkomst bij laag tarief (ALT)
Het mag niet meer mogelijk zijn om langdurig zelfstandigen in te huren tegen een laag tarief voor het uitvoeren van reguliere bedrijfsactiviteiten. De kans is groot dat deze maatregel in strijd is met Europees recht. Daarom wordt ook naar alternatieven gezocht. Naar verwachting kan deze maatregel niet eerder dan per 1 januari 2021 in werking treden.

4. Opt-out
De opt-out biedt de mogelijkheid om af te zien van inhouding van loonheffingen en geeft opdrachtnemers en opdrachtgevers extra zekerheid. De ALT en opt-out worden momenteel uitgewerkt en zullen samen in wetgeving worden vormgegeven.

De handhaving van de Wet DBA door de Belastingdienst is opgeschort tot in ieder geval 1 januari 2020, met uitzondering van kwaadwillenden. In verband met het invoeren van extra bescherming van zelfstandigen aan de onderkant van de arbeidsmarkt wordt het nut en de rol van fictieve dienstbetrekkingen bezien. Het doel van fictieve dienstbetrekkingen is het beschermen van kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt. Het kabinet gaat daarover in gesprek met de sociale partners.

Navordering wegens kwade trouw

Navordering van belasting is mogelijk wanneer de Belastingdienst beschikt over een nieuw feit of ter zake van een feit ten aanzien waarvan de belastingplichtige te kwader trouw is. Een belastingplichtige is te kwader trouw wanneer hij de inspecteur opzettelijk de juiste gegevens of inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste gegevens of inlichtingen heeft verstrekt. Dat doet zich voor als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist dat de aanslag te laag zou worden vastgesteld wanneer deze aangifte zou worden gevolgd.

Indien de belastingplichtige een eerder ingediende aangifte wijzigt of aanvult voordat de inspecteur de definitieve aanslag heeft vastgesteld, moet mede op basis van de gewijzigde of aangevulde aangifte worden beoordeeld of de belastingplichtige te kwader trouw is. Volgens de Hoge Raad is dat niet anders als de inspecteur de gewijzigde aangifte als een verzoek tot herziening van een voorlopige aanslag heeft behandeld. De Hoge Raad kwam tot deze uitspraak in een zaak van iemand die een tweede aangifte had ingediend nadat hij van zijn werkgever en zijn belastingadviseur had gehoord dat hij de opbrengst van een winstdelende lening moest aangeven in box 1 als voordeel uit lucratief belang. Door dit voordeel niet op te nemen in de tweede aangifte heeft de belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aan de inspecteur niet de juiste gegevens heeft verstrekt. Volgens de Hoge Raad heeft Hof Den Haag eerder in de procedure de belanghebbende terecht als zijnde te kwader trouw aangemerkt, zodat de inspecteur het recht had om na te vorderen.