Spoedreparatie vennootschapsbelasting aangekondigd

In verband met de mogelijke negatieve gevolgen van een toekomstig arrest van het Hof van Justitie EU heeft het kabinet een spoedreparatie voorbereid van de Wet op de vennootschapsbelasting. De aanleiding hiervoor is de conclusie van de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie EU over de toepassing van de Nederlandse renteaftrekbeperking. De Hoge Raad heeft in 2016 in twee zaken vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie EU over de verhouding tussen het regime van de fiscale eenheid en het Europese recht op vrije vestiging.

Een van de zaken betreft de weigering van de aftrek van rente. Gezien de inhoud van de conclusie bestaat het risico dat het arrest negatieve gevolgen heeft omdat Nederland in bepaalde buitenlandse situaties de voordelen van de fiscale eenheid zal moeten toekennen waar dat volgens de Nederlandse wet niet aan de orde is. Dat zou kunnen leiden tot een jaarlijks verlies aan belastingopbrengsten van enkele honderden miljoenen euro’s. Voor nog niet opgelegde aanslagen over het verleden kan het verlies aan opbrengsten oplopen tot 400 miljoen euro. Dit verlies is bij een negatieve uitspraak niet te voorkomen. Wel kunnen de gevolgen voor de toekomst worden beperkt. Dat gebeurt door de spoedreparatiemaatregelen nu al aan te kondigen en, mochten zij nodig zijn, met terugwerkende kracht tot de datum van publicatie (25 oktober 2017 om 11.00 uur) in te voeren.

De spoedreparatiemaatregelen houden in dat de renteaftrekbeperking ter voorkoming van winstdrainage, de deelnemingsvrijstelling, de aftrekbeperking voor bovenmatige deelnemingsrente en de verliesverrekening bij wijziging van het belang zullen worden toegepast alsof er geen fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting bestaat. Daarmee wordt bereikt dat een fiscale eenheid in binnenlandse verhoudingen op dezelfde wijze wordt behandeld als een vergelijkbare EU-situatie. Voor de toepassing van de genoemde regelingen blijft de consolidatie, die normaal gesproken in een fiscale eenheid plaatsvindt, achterwege.

Kosten total bodyscan niet aftrekbaar

De uitgaven voor geneeskundige hulp bij ziekte of invaliditeit zijn aftrekbaar in de inkomstenbelasting voor zover de uitgaven een zekere inkomensafhankelijke drempel overschrijden. Uitgaven ter voorkoming van ziekten vallen in de regel niet onder de aftrekbare kosten, met uitzondering van inentingskosten. Inentingskosten zijn volgens de Hoge Raad naar hun aard uitgaven voor geneeskundige hulp.

De uitgaven voor een zogenaamde total bodyscan, een preventief onderzoek, zijn echter niet aftrekbaar. Deze uitgaven worden niet gedaan in het kader van een medische behandeling en kunnen volgens Hof Amsterdam niet op één lijn worden gesteld met inentingen, waarbij geneesmiddelen worden toegediend en waarmee ziekten worden voorkomen. Het hof is van oordeel dat een preventief onderzoek geen behandeling wordt wanneer uit een dergelijk onderzoek blijkt dat de onderzochte persoon ziek is.

Schijfgrenzen en tarieven IB 2018

Bij de Tweede Kamer is het Belastingplan 2018 in behandeling. De (voormalige) staatssecretaris van Financiën heeft de nota naar aanleiding van het verslag naar de Kamer gestuurd. In de nota worden vragen van de verschillende fracties beantwoord. Er zijn ook vragen gesteld die betrekking hebben op het regeerakkoord van het nieuwe kabinet. Die zijn niet beantwoord maar doorgeschoven.

De staatssecretaris heeft in deze nota onder meer een overzicht van heffingskortingen, schijven en tarieven in de loon- en inkomstenbelasting voor 2018 gegeven, waarin rekening is gehouden met de indexatie per 1 januari. Daaruit blijkt dat het maximum van de algemene heffingskorting voor mensen jonger dan de AOW-leeftijd stijgt van € 2.254 naar € 2.265. Voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt gaat het maximum van € 1.151 naar € 1.157. Het maximum van de arbeidskorting gaat van € 3.223 naar € 3.249.

Het maximum van de inkomensafhankelijke combinatiekorting gaat van € 2.778 naar € 2.801. De jonggehandicaptenkorting stijgt van € 722 naar € 728.  De ouderenkorting gaat voor lagere inkomens flink omhoog, omdat naast de indexatie een stijging is voorzien in het Belastingplan 2018. Daardoor gaat deze korting omhoog van € 1.292 naar € 1.418. Voor hogere inkomens wordt de ouderenkorting alleen geïndexeerd, waardoor deze van € 71 stijgt naar € 72. De alleenstaande ouderenkorting daalt ondanks de indexatie van € 438 naar € 423, vanwege een verlaging in het Belastingplan 2018.

Schijfgrenzen en tarieven
2017 Tarief 2017 2018 Tarief 2018
Einde eerste schijf  € 19.982  36,55%  € 20.142  36,55%
Einde tweede schijf  € 33.791  40,8%  € 33.994  40,85%
Einde derde schijf  € 67.072  40,8%  € 68.507  40,85%
Einde vierde schijf  –  52,00%  –  51,95%

 N.B. Voor mensen die geboren zijn vóór 1 januari 1946 eindigt de tweede schijf in 2017 bij een bedrag van € 34.130 en in 2018 bij een bedrag van € 34.404.