Werkgever voldoet niet aan herplaatsingsvereiste

Een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als er een redelijke grond voor is, op voorwaarde dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn in een andere passende functie niet mogelijk is. Er bestaat een redelijke grond als om bedrijfseconomische redenen arbeidsplaatsen moeten vervallen. De redelijke termijn voor herplaatsing is gelijk aan de opzegtermijn die de werkgever voor de werknemer in acht moet nemen. Er is sprake van een passende functie wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer. Voor de beoordeling of een passende functie beschikbaar is, wordt gekeken naar bestaande vacatures en vacatures die binnen de redelijke termijn zullen ontstaan.

In het kader van het herplaatsingsvereiste wordt van een werkgever verwacht dat hij actief onderzoekt of herplaatsing in een passende functie binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, mogelijk is. Het herplaatsingsvereiste strekt zich in voorkomende gevallen uit over het gehele concern waartoe het bedrijf van de werkgever behoort. De werkgever moet kunnen aantonen dat hij zich voldoende heeft ingespannen om de werknemer te herplaatsen en daarmee diens ontslag te voorkomen.

Hof Den Bosch oordeelde in een procedure dat de werkgever onvoldoende actief was geweest om een werknemer te herplaatsen. De werkgever maakte deel uit van een wereldwijd concern, maar had zich beperkt tot vacatures in Nederland. Het UWV had de werkgever erop gewezen dat hij een overzicht van vacatures van alle ondernemingen van het concern over had moeten leggen en moeten nagaan of de werknemer bereid was om naar het buitenland te gaan. Omdat de werkgever niet aan het herplaatsingsvereiste had voldaan wees het hof het verzoek van de werkgever om een datum te bepalen, waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, af.

Belastingdeel heffingskortingen

De heffingskortingen voor de loon- en inkomstenbelasting bestaan uit een belasting- en een premiedeel. Iedereen, die onder de loonbelasting valt, heeft recht op het belastingdeel van de heffingskortingen die samen de loonheffingskorting vormen. Iedereen, die in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen, heeft recht op het premiedeel van de heffingskortingen. Met ingang van 1 januari 2019 ontvangen buitenlandse belastingplichtigen niet langer via de loonbelasting het belastingdeel van de heffingskortingen. Deze maatregel moet voorkomen dat buitenlandse belastingplichtigen heffingskortingen via de inkomstenbelasting terug moeten betalen wanneer zij daar geen recht op hebben. Buitenlandse belastingplichtigen, die recht hebben op dezelfde heffingskortingen als binnenlandse belastingplichtigen, kunnen de heffingskortingen via hun aangifte inkomstenbelasting incasseren. Via een voorlopige aanslag inkomstenbelasting kunnen zij de heffingskortingen al in de loop van het kalenderjaar ontvangen. Dat geldt overigens alleen voor buitenlandse belastingplichtigen van wie is vastgesteld dat zij in aanmerking komen voor de heffingskortingen. Voor nieuwe gevallen geldt dat, wanneer is vastgesteld dat iemand in aanmerking komt voor de heffingskorting, deze vervolgens via de voorlopige aanslag in volgende jaren kan worden uitbetaald. De aanvraag daarvoor hoeft niet elk jaar opnieuw te worden gedaan.

Voor het belastingdeel van de arbeidskorting geldt een uitzondering voor werknemers die inwoner zijn van een andere lidstaat van de EU, van een EER-land, Zwitserland of de BES-eilanden (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba). Zij hebben recht op het belastingdeel van de arbeidskorting. Vanaf 1 januari 2019 moet per werknemer worden bepaald of de inhoudingsplichtige rekening moet houden met het belastingdeel van de heffingskortingen. Bepalend daarvoor is van welk land een werknemer inwoner is. Afhankelijk van het woonland van de werknemer kan worden vastgesteld welke loonbelastingtabel van toepassing is. Met ingang van 1 januari 2019 komen van alle loonbelastingtabellen drie versies, namelijk een voor inwoners van Nederland, een voor inwoners van andere EU-lidstaten, van een EER-land, Zwitserland of de BES-eilanden en een voor inwoners van derde landen.

Inwoner van Nederland of niet?
Waar iemand woont wordt bepaald aan de hand van de feiten en omstandigheden. Denk aan de door de werknemer opgegeven woonplaats, de reiskostenvergoeding en gegevens voor beoordeling van de verzekeringsplicht. Een werknemer, die hier zijn permanente woon- of verblijfplaats heeft, is inwoner van Nederland. Een werknemer, die zowel in Nederland als in het buitenland woont of verblijft, is alleen inwoner van Nederland als zijn sociale en economische leven zich hier afspeelt. Woont zijn gezin in het buitenland, gaan zijn kinderen daar naar school en houdt hij daar bankrekeningen aan, dan is hij waarschijnlijk geen inwoner van Nederland. De werknemer heeft in dat geval geen recht op het belastingdeel van de heffingskortingen.

Woonplaatsverklaring
Bestaat er twijfel omtrent het woonland van de werknemer, dan kan de werknemer daar een einde aan maken met een woonplaatsverklaring. De werknemer kan de woonplaatsverklaring aanvragen bij een belastingkantoor in het land waarvan hij inwoner is. Een werknemer, die in Nederland woont, kan een woonplaatsverklaring aanvragen bij Belastingdienst/kantoor Arnhem.

Plan invoeren vliegbelasting

Het kabinet wil per 1 januari 2021 een belasting op vliegtickets invoeren. Bij voorkeur zou er een Europese belasting op luchtvaart moeten komen. Daarop vooruitlopend heeft de staatssecretaris van Financiën een voorstel voor een nationale vliegbelasting uitgewerkt, dat voor advies naar de Raad van State is gestuurd. Het voorstel gaat uit van een vast tarief per passagier en sluit daardoor aan bij de belastingen op luchtvaart van andere Europese landen. Het wetsvoorstel wordt naar verwachting in het voorjaar van 2019 naar de Tweede Kamer gestuurd.

Naast dit plan wordt onderzocht of een Europese heffing op kerosine haalbaar is.