Stakingswinst ondernemer

Volgens de Wet IB 2001 is winst uit onderneming het bedrag van de voordelen die worden verkregen uit een onderneming. Onder onderneming moet in dit verband ook het zelfstandig uitgeoefende beroep worden begrepen.

In het kader van de beëindiging van de werkzaamheden van een vrijgevestigde medisch specialist werd aan hem een vergoeding betaald van € 750.000. Dat bedrag bestond voor € 184.000 uit goodwill. De specialist meende dat het restant ad € 566.000 geen winst uit onderneming vormde. De rechtbank stelde vast dat de specialist in de uitoefening van zijn onderneming overeenkomsten met het ziekenhuis was aangegaan. Daarom maakte de vergoeding ter beëindiging van de overeenkomsten deel uit van de winst uit onderneming. Van een onbelaste schadevergoeding was geen sprake.

De medisch specialist had de vergoeding op een bankrekening van een door hem opgerichte bv laten overmaken. Volgens de specialist had hij met de bv een lijfrenteovereenkomst gesloten. De daarvoor betaalde premie meende hij als uitgave voor inkomensvoorzieningen in aftrek op zijn inkomen te mogen brengen. Een ondernemer kan bij staking van zijn onderneming de behaalde stakingswinst omzetten in een lijfrente tot een bepaald maximum. Voorwaarde is dat hij de lijfrente bedingt bij een professionele verzekeringsmaatschappij of bij een bv in het kader van de overdracht van de onderneming aan die bv. In dit geval was de lijfrente niet bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming aan de bv. Om die reden was het niet mogelijk om de aan de bv overgemaakte vergoeding in aftrek op het inkomen te brengen.

Verlaging EIA met 0,5% per 2018

De energie-investeringsaftrek (EIA) gaat per 1 januari 2018 met 0,5% omlaag. Dat is een gevolg van een bij de behandeling van het Belastingplan 2017 aangenomen amendement, waarvoor deze verlaging als dekking dient. De verlaging is destijds niet verwerkt in het amendement. Dat wordt nu hersteld.

Maatregelen loonbelasting

Niet-uitvoerende bestuurders
Bestuurders van een beursgenoteerde vennootschap zijn fictief in dienstbetrekking werkzaam bij de vennootschap. De fictieve dienstbetrekking voor commissarissen is vervallen, aanvankelijk op basis van een besluit, en met ingang van 1 januari 2017 op basis van de wet. Nu wordt voorgesteld ook de fictieve dienstbetrekking voor niet-uitvoerende bestuurders van een beursgenoteerde vennootschap af te schaffen. Daardoor ontstaat een gelijke behandeling van commissarissen en niet-uitvoerende bestuurders. Een uitvoerende bestuurder blijft onder de loonbelasting vallen, ongeacht of hij bestuurder is van een beursgenoteerde of een niet beursgenoteerde vennootschap. Wie uitvoerend of niet-uitvoerend bestuurder is, blijkt uit het Handelsregister.

Alleenstaande ouderenkorting in de loonheffing
De alleenstaande ouderenkorting kan bij de inhouding van loonheffing alleen worden toegepast indien de alleenstaande oudere op zijn AOW-uitkering de standaardloonheffingskorting toepast. Nu wordt voorgesteld dat de Sociale Verzekeringsbank de alleenstaande ouderenkorting mag toepassen op de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen bij alleenstaande ouderen die geen AOW-uitkering ontvangen. Deze maatregel verkleint het aantal alleenstaande ouderen dat aangifte inkomstenbelasting moet doen om de korting te gelde te maken.

Pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen
Of een vertrekvergoeding bij einde dienstbetrekking excessief is wordt vastgesteld aan de hand van een rekenregel. Bepaalde onvoorwaardelijke aandelenoptierechten, die enkele jaren voor het jaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd zijn verstrekt aan de vertrekkende werknemer, tellen niet mee in deze rekenregel. De Hoge Raad heeft gezegd dat dit ook geldt voor aandelenoptierechten die nog niet onvoorwaardelijk waren. De pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen kan door dat arrest worden beperkt of voorkomen door constructies met voorwaardelijke aandelenoptierechten. Om dat te voorkomen wordt de regeling aangepast.

Beperking toepassing heffingskortingen buitenlandse belastingplichtigen
Heffingskortingen bestaan uit een premiedeel en een belastingdeel. Sinds 2015 zijn buitenlandse belastingplichtigen te onderscheiden in kwalificerende en niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen hebben in de inkomstenbelasting recht op dezelfde fiscale voordelen als binnenlandse belastingplichtigen, waaronder het belastingdeel van alle heffingskortingen. Niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit landen binnen de EU of de EER hebben in de inkomstenbelasting enkel recht op het belastingdeel van aan arbeid gekoppelde heffingskortingen. Niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit derde landen hebben in de inkomstenbelasting voor geen van de heffingskortingen recht op het belastingdeel.

Het kabinet stelt voor om vanaf 2019 in de loonbelasting voor alle buitenlandse belastingplichtigen alleen nog maar het belastingdeel van de heffingskortingen toe te laten passen waarop niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit het betreffende land in de inkomstenbelasting recht hebben. Op grond van de voorgestelde maatregel wordt bij buitenlandse belastingplichtigen uit een land binnen de EU of de EER vanaf 2019 in de loonbelasting alleen van de arbeidskorting het belastingdeel toegepast. Bij buitenlandse belastingplichtigen uit derde landen wordt van geen enkele heffingskorting het belastingdeel toegepast. Bij de voorgestelde wijziging wordt geen onderscheid gemaakt tussen kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen en niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen.