Vordering ontbinding pachtovereenkomst wel of niet toewijsbaar

In procedures bij de pachtkamer komt regelmatig de vraag aan de orde of een verpachter ontbinding van een pachtovereenkomst kan vorderen, omdat de pachter in zijn/haar verplichtingen tekortschiet. Een greep uit de uitspraken hierover.

Stelselmatig te laat betalen pacht

Een pachter betaalde de pacht regelmatig te laat en meerdere keren kwam hij afgesproken betalingsregelingen niet na, maar uiteindelijk had hij wel steeds alles betaald. Voor de pachtkamer was dit echter voldoende reden om de overeenkomst te ontbinden.

In een andere uitspraak oordeelde de pachtkamer dat het incidenteel te laat betalen van de pacht geen grond is voor ontbinding van de pacht.

Geen bedrijfsmatige landbouw

Een pachter had een melkveebedrijf geëxploiteerd, maar was overgeschakeld op de opfok van jongvee, het fokken van schapen, hooiwinning en natuurbeheer. Met deze nieuwe activiteiten behaalde hij geen positieve ondernemingsresultaten meer en deze waren ook niet te verwachten. Hij deed geen investeringen meer en er was geen bedrijfsopvolger. Naar het oordeel van de pachtkamer volgde hieruit dat de pachter het gepachte niet meer bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw gebruikte. Het had er alle schijn van dat de pachter hobbymatig (en op verliesgevende basis) verder boerde. Een verpachter hoeft dat niet toe te staan. De pachter schoot tekort in de nakoming van de pachtovereenkomst. Daarom ontbond de pachtkamer de overeenkomst.

Onderverpachting

Onderverpachting zonder toestemming van de verpachter is reden voor ontbinding van de pachtovereenkomst. De stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast van de onbevoegde onderverpachting rusten op de verpachter. De pachter heeft wel een verzwaarde motiveringsplicht, maar daaraan heeft de pachter in deze zaak ruimschoots voldaan. Hij heeft voldoende aangetoond dat hij de gronden zelf in gebruik had.

Geen persoonlijk gebruik

Vanwege een afnemende gezondheid van de pachter werden diens werkzaamheden steeds meer overgenomen door zijn echtgenote en zoon. Beiden konden volgens de pachtkamer onvoldoende waarborgen bieden voor een behoorlijke bedrijfsvoering. De vordering van de pachter tot medepacht werd afgewezen. Omdat de pachter niet meer in voldoende mate betrokken was bij de exploitatie schoot hij tekort in het persoonlijk gebruik van het gepachte. De pachtkamer wees daarom de vordering van de verpachter tot ontbinding van de pachtovereenkomst toe.

Verlies zeggenschap gepachte

Het bedrijf van een pachter werd voortgezet door een commanditaire vennootschap, waarvan de zoon van de pachter de enige beherende vennoot was. De verpachter vorderde ontbinding van de pachtovereenkomst, omdat de pachter niet voldeed aan de verplichting dat hij zelf de dagelijkse leiding over de exploitatie van het gepachte moet hebben. De pachtkamer oordeelde dat de pachter tekort was geschoten in zijn verplichtingen. Uit niets bleek dat de pachter de zeggenschap over het perceel had voorbehouden. Doordat de pachter commanditaire vennoot was, had hij de zeggenschap over (de exploitatie van) het gepachte per definitie uit handen gegeven. Gelukkig oordeelde de pachtkamer dat de tekortkoming in dit geval niet voldoende ernstig was om tot ontbinding van de pachtovereenkomst over te gaan. In dit oordeel nam de kamer onder meer mee dat beide partijen het eigendom c.q. gebruik van het perceel van hun familie hadden verkregen, het perceel al zo’n 50 jaar werd verpacht, partijen bijna nooit contact hadden gehad, niet beschikten over een schriftelijke pachtovereenkomst en er werden al jaren geen facturen voor de pacht verstuurd.

Bron:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | 31-10-2023